Over frater Ben Doodkorte

Ben Doodkorte
“Mijn verzet tegen armoede is een kerngegeven in mijn leven”

Frater Ben Doodkorte behoort tot de fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart ofwel de fraters van Utrecht
(www.fratersvanutrecht.nl).

Op 8 september 2012 vierde hij zijn 70-jarig kloosterjubileum. In dat kader werd hij door Petra de Landmeter geportretteerd in het contactblad van de fraters(INKO).

Voor het gesprek met de jubilaris zoeken we frater Ben op in zijn kamer in Fraterhuis St.-Jozef waar hij nu drie jaar woont sinds de communiteit in Arnhem werd gesloten. Aan de grote tafel wachten twee stoelen uitnodigend op ons. Midden op tafel staat een stenen beeldje dat meteen deaandacht trekt. We kennen de beeltenis: een groepje mensen staand in een kleine kring met de armen om elkaar’s schouders en in het midden op de bodem een kaarsje. Ben steekt het kaarsje aan. Het licht en de warmte die het kaarsje geven aan de mensen in de kring, vullen ook de kamer. Het is deze symboliek, dit licht en de warmte die tijdens het gesprek met frater Ben voelbaar zijn. Hij vertelt ons over de tijd dat hij leraar was en oprichter van de technische school in Lichtenvoorde, over de periode dat hij lid was van het algemeen bestuur en over zijn activiteiten voor de kansarmen. Ook vertelt hij in alle openheid over datgene wat hem echt bezighoudt: het altijd zoeken naar verdieping van zijn religiositeit en het bidden met woorden die recht uit zijn hart komen.

Frater Ben is een bezige bij. In elk jaarboek zien we achter zijn naam een opsomming van vele werkzaamheden. Ook nu nog, al is zijn leeftijd 88 jaar. Bij al deze activiteiten is het opkomen voor de kansarmen een vast gegeven. Zijn verzet tegen armoede zit diep in hem. Willen helpen om het leven van kansarmen te verbeteren, loopt als een rode draad door zijn leven. Het beeldje met het kaarsje heeft alles met die ‘rode draad’ te maken. Hij kreeg het bij zijn vertrek uit Arnhem van de Werkgroep ‘Verzet tegen Armoede’. Het is een goede herinnering aan zijn inzet voor de armen in die stad. Tijdens ons gesprek zal hij daarover meer vertellen.

Gezin met twaalf kinderen
Ben Doodkorte werd op 21 februari 1924 in het Friese Steggerda geboren, telg van een traditioneel katholiek gezin. Hij vertelt: “Mijn leven is begonnen als vierde in een gezin van twaalf kinderen. Mijn vader was hoofd van de school in Steggerda en later in Sneek. De intentie van mijn vader en moeder was, dat alle kinderen kansen moesten krijgen een goede en passende studie te volgen. Mijn ouders waren van mening dat er na de lagere school voor hun kinderen een periode kwam dat zij die vervolgstudies niet in eigen huis konden waarmaken. Daarom gingen de meisjes naar een internaat in Harlingen en mijn vader had bij de Fraters van Utrecht in Zeist een mogelijkheid gevonden om de zoons daar te plaatsen. Ik denk dat hij die contacten ook had omdat een broer van mijn vader hier frater was, dat was frater Thomas Doodkorte. Verder had hij als hoofd van de lagere school ook wel te maken met de ‘werver’ van de congregatie frater Bertrandus. We hadden dus een zekere entree bij de fraters in Zeist. En ik ben daar als enige van de jongens blijven hangen.”

Roepingbesef
“Ik heb in Zeist enkele jaren de MULO gevolgd en wegens gebrek aan interesse afgebroken om mij te bekwamen in het metaalvak. Ik was 18 jaar toen ik ben ingekleed. Als je nu vraagt wat toentertijd mijn motieven waren om frater te worden, dan denk ik, dat ik moet zeggen dat het geen hoogstaande motieven waren. Het was meer het gevoel dat je als frater wel iemand was ! Niet dat dat nou ook zo was, maar het was wel de mentaliteit. Ook vanuit het gezin. Pas in de loop van het leven denk je er dieper over na, zeker als je medebroeders ziet verdwijnen en je zelf voor de vraag komt: wat doe ìk nog hier? Heb ìk voldoende motief om iets anders te kiezen? Dan gaat eigenlijk pas het echte roepingbesef ontstaan. Het is – bij mij althans – een groeiproces geweest. Ik ben steeds doorgegaan en dat vertaal ik voor mezelf in die zin, dat de God van Leven op één of andere manier in mij bezig geweest is en gezorgd heeft, dat ik wel op dit pad bleef. Van deze levensgang heb ik geen spijt. Nee, integendeel. Binnen de congregatie is er ontzettend veel goeds gedaan. Maar als ik terugkijk ….. misschien had ik dan toch een weg moeten kiezen om meer direct bij de armen te zijn.” “Maar ja, wij zijn een onderwijs-congregatie, en zo ben ik dan leraar metaal bewerken geworden. Ik heb de vereiste bevoegdheid en op grond daarvan werkte ik op de technische school in Borculo. Op een gegeven moment werd ik geroepen om in Lichtenvoorde een technische school op te richten. Ik twijfelde of ik daar wel geschikt voor was, maar het bestuur vond dat ik het wèl kon. En zo is het gebeurd. Ik heb die technische school van de grond geholpen en daarna heb ik deze school nog 25 jaar geleid.”

Als ik frater Ben vraag hoe hij op deze schoolperiode terugkijkt, antwoordt hij: “Het is inmiddels lang geleden en ik ben er nu niet meer zoveel mee bezig ben. Het was een goede periode, dat zeker. Ik weet ook dat ik er helemaal was voor de school, voor de leerlingen, voor de leraren en ander personeel. Ik vond het mooi dat ik in Lichtenvoorde de mogelijkheid had te zien hoe de jongens zich op onze school konden ontplooien. Jongens, die veelal op de lagere school al een stempel meegekregen hadden dat ze niet veel konden en daarom ‘maar’ naar de Technische School moesten. Je zag die knapen zich ontwikkelen en ze wisten: ik kan wel wat! Dat is nou precies wat eigenlijk ook het omgaan met armen is: hen leren geloven in hun eigen waarde, want dat ontbreekt bij velen.”

Lid van het Algemeen Bestuur
Tijdens het kapittel van 1970 werd frater Ben gekozen tot lid van het Algemeen Bestuur. Een functie die hij gedurende vier aaneengesloten bestuursperiodes tot 1994 vervulde.

Frater Ben:
“Toen ik in 1970 in het bestuur kwam, was ik tegelijkertijd nog directeur van de technische school. In 1976 ben ik full-time in het bestuur gekomen. Wat mij als bestuurslid vooral aantrok was, dat ik ook daar de mogelijkheid had met mensen bezig te zijn. Vooral zorg en aandacht te geven aan mensen die meer aan de zwakke kant stonden. Dat heeft mij altijd het meest getrokken. Maar er moest organisatorisch ook nog wel het een ander gebeuren want het was een periode van vernieuwingen.”

Werken aan de Nieuwe leefregel
“Een heel belangrijke taak die ik toen heb gehad was, dat er een nieuwe leefregel moest komen. Daar hebben we jarenlang aan gewerkt. De vernieuwing van het religieuze leven bracht dat met zich mee. De oude regel die we hadden was een samenvatting, een samenbundeling van voorschriften waarin bijna van top tot te en stond: zo moet je leven, je moet zus en je moet zo. En binnen de congregatie was men er van overtuigd dat de oude regel niet meer beantwoordde aan de behoefte om daaruit inspiratie op te doen.”

“Ik ben toen gevraagd om samen met enkele medebroeders een voorlopige schets te maken, een‘basis-visie’ om van daaruit een nieuwe leefregel te ontwerpen. We zijn daar jarenlang mee bezig geweest. Ik had daar niet echt een leidende rol in, maar ik moest wel heel veel dingen aandragen waar we met elkaar over gingen praten. Uiteindelijk is daar onze nieuwe leefregel uit voortgekomen die totaal anders is dan de vorige, omdat wij uitgegaan zijn van ons leven, òns leven.

Bij elk onderdeel was altijd de vraag: geef aan in de leefregel hoe jij zelf vindt dat je moet leven, niet omdat anderen dat zeggen, maar wat zeg je zelf. We werden dus als het ware op onszelf teruggeworpen. Onze groep heeft dus intensief gewerkt om het spirituele deel van de Constituties te vernieuwen, terwijl in diezelfde periode een andere groep bezig was om het juridische deel van de Constituties aan te passen. Ook dat was nodig omdat daarin de vernieuwingen met betrekking tot de structuur van de congregatie werden opgenomen.”

“Terugkijkend kan ik zeggen dat het opstellen van een nieuwe leefregel voor mijn eigen vorming een heel belangrijke periode is geweest omdat ik mijzelf elke keer weer confronteerde met de vraag: hoe sta jij daar zelf in; wat vind jij echt waardevol. Dat was heel mooi, taai werk, maar heel waardevol.”

Naar Indonesië
Voor frater Ben en een ander bestuurslid werd het van belang gevonden bij het begin van hun bestuursperiode een paar maanden ter oriëntatie naar Indonesië en Afrika te gaan. “De reis naar onze medebroeders overzee is heel belangrijk voor een nieuw bestuurslid”, vertelt frater Ben.

“Je kunt ter plekke voelen, horen en ruiken hoe daar wordt geleefd. Dat was zeer vruchtbaar en dat merk je naderhand als er aan de bestuurstafel gesproken wordt over zaken uit die gebieden. Je denkt dan meer vanuit situaties die je daar hebt gezien en gehoord. Je kent gezichten van mensen, je weet de leefomstandigheden en de werkomstandigheden. Dat was een verrijking. Het was tegelijk een culturele ontmoeting. Je komt daar in een heel andere cultuur terecht.” “Toen ik die paar maanden in Indonesië was, had ik er moeite mee om terug te gaan naar Nederland. De armoede van Indonesië greep mij zo aan dat ik eigenlijk een afkeer kreeg van de welvaart die ons in Nederland eigen was. Ik wilde daar blijven want er was zo veel te doen, zo veel armoede. Maar dat was niet mijn opdracht. Ik weet ook wel dat ik het niet allemaal zou kunnen oplossen, maar het was een gevoel dat me bekroop. Ik zag daar het grote verschil. Maar dan ben je weer in Nederland en je gaat op een gegeven moment weer gewoon door zo als je gewend was.”

Niet achter de geraniums
Na de bestuursperiode ging frater Ben niet achter de geraniums zitten. De beschikbare tijd kon hij heel goed gebruiken om zich meer dan voorheen te wijden aan zijn nevenfuncties. Hij was lid van diverse werkgroepen binnen en buiten de congregatie. En het paste goed in zijn ambitie om zich meer dan voorheen in te zetten voor de kansarmen.

Dag van Verzet tegen Armoede
Wijzend op het beeldje en het kaarsje vertelt frater Ben: “Aan het begin van ons gesprek heb ik al verteld, dat ik deze beeltenis heb gekregen in Arnhem. Toen ik na mijn bestuursperiode over wat meer tijd kon beschikken had ik de mogelijkheid om meer te ondernemen voor de kansarmen in deze maatschappij. Dat heeft er toe geleid dat ik in Arnhem de Werkgroep “Dag van Verzet tegen Armoede” heb opgericht. Het is een internationaal evenement dat jaarlijks op 17 oktober wordt gehouden en steeds de nodige aandacht trekt. Bij het afscheid in Arnhem hebben ze me deze herdenking gegeven. Het is een beeld van
gemeenschap, samen de schouders er onder, en aan elkaar vasthouden.”

“Verzet tegen armoede is een idee dat fundamenteel eigen is aan de ATD Vierde Wereld-Beweging. Dit is een internationale beweging tegen generaties-lange armoede in de wereld die de Pools-Franse priester Joseph Wresinski in 1957 heeft opgericht. Deze beweging richt zich op hulp in alle nood. Niet alleen als er gebrek is aan eten of kleding, maar uitgaande van de situatie dat armen nood hebben aan alles. Met name de hele mens is arm: hij wordt niet gezien, hij krijgt onvoldoende kansen en is vaak verstoken van opleidingsmogelijkheden, van geld en van sociale contacten. De armoede is totaal. Hulp in alle nood wil eigenlijk zeggen: kijk naar de hele mens en vraag je af wat die mens nodig heeft. Jij bent niet bepalend maar die arme is bepalend.”

Kerngegeven in mijn leven
“Toen de ATD Vierde Wereld ook een afdeling in Nederland ging opzetten heb ik mij al snel daarbij aangesloten en sindsdien ben ik daarin actief, omdat ik vind dat deze beweging goed aansluit bij datgene waarvoor wij fraters ‘geroepen zijn’. Het geeft een gevoel dat je echt doet wat er gebeuren moet. Er zijn! Er zijn temidden van armen. Het is een kerngegeven in mijn leven. Het is altijd een aandachtspunt. Iets waar ik niet aan ontkom. Zonder dat is er geen rust van binnen. Die rust is er eigenlijk nooit volledig omdat ik nou eenmaal niet in de mogelijkheid verkeer om helemaal met die armen te leven. Dat moet ik accepteren. Maar daarmee bezig zijn, zal me nooit loslaten.”

Afscheid van Arnhem, verhuizen naar De Bilt
In september 2009 zijn alle dertien fraters van de communiteit Arnhem verhuisd naar De Bilt. Geruime tijd voor de definitieve datum zijn er vele gesprekken geweest, gezamenlijk met de communiteit en individueel met fraters. Voor de meeste fraters was het geen gemakkelijke overstap. Ook voor frater Ben niet.Hij vertelt daarover: “Het weggaan uit Arnhem is voor mij een heel proces geweest. Ik heb er best lang over getwijfeld om naar hier te gaan. Ik heb er bijvoorbeeld over gedacht of het mogelijk was met twee of drie van onze mensen opnieuw een kleine communiteit te vormen. Maar alle overwegingen bij elkaar genomen, hebben mij er toe gebracht om het besluit te nemen ook naar De Bilt te gaan. Ik heb me toen ook meteen voorgenomen om alles wat ik in Arnhem deed af te bouwen. Niet mijn activiteiten mee te nemen, maar in De Bilt gewoon af te wachten, te kijken en te luisteren of ik ergens toe geroepen word. En dat was een goed gevoel. Los komen van het oude.”

Toch gewoon doorgaan
Een nieuwe woonplek en los komen van het oude betekende voor frater Ben niet, dat daarmee ook zijn bezigheden totaal werden losgekoppeld. Hij nam afscheid van een aantal functies en van veel vrienden en bekenden in Arnhem, maar in De Bilt ging een aantal activiteiten gewoon door. Hij bleef lid van de diverse werkgroepen, o.a. van de Werkgroep REVO, van de HUMO-samenwerking, en in de Werkgroep Bestedingsrekening Hulpverlening Jozefhuis vond hij een goed vervolg van dezelfde werkgroep in Arnhem.

Zingen en dirigeren
Maar er kwamen ook nieuwe dingen. Hij werd lid van een kamerkoor: “Op een gegeven moment las ik in de Biltse Courant een berichtje dat een kamerkoor in Bilthoven op zoek was naar tenoren en bassen. Ik ben er naar toe gegaan en het resultaat was dat ze mijn stem wel konden gebruiken. Ik zie het als een mogelijkheid om daar dienstbaar te zijn maar het geeft mij ook veel plezier want zingen doe ik heel graag.

Niet lang daarna kwam een van mijn medebroeders naar me toe met de mededeling dat de dirigent van het Schola Cantorum in Zeist binnenkort aan een studie ging beginnen en dan zou het kleine koor zonder dirigent zitten. De vraag was of er bij de fraters iemand was die het koor zou kunnen helpen. Ze dachten aan mij. Mijn eerste reactie was: goeie man, ik kan wel zingen en ik weet wat Gregoriaans is, maar ik ben geen dirigent. Ik ben er toen wel naar toegegaan en heb gezegd als jullie ter overbrugging iets aan mij hebben dan wil ik het wel doen, maar jullie moeten niet te hoge verwachtingen van mij hebben. Ik ben er nu twee jaar mee bezig en het bevalt hen uitstekend. En mij ook, want het geeft jezelf ook weer verdieping als je leiding geeft.”

Meer tijd en ruimte in mezelf
“Ondanks alles wat ik hier in De Bilt inmiddels doe, heb ik meer tijd en daardoor meer ruimte in mezelf. Dat is weldadig. Dat nodigt mij bijvoorbeeld uit om dieper over dingen na te denken. Ik gun mij nu de tijd om langer stil te staan bij ons dieper mens en religieus zijn. Dat openbaart zich in mijn ontdekking dat wij in het gebedsleven zo veel dingen doen op de automatische piloot. De teksten die wij al honderd jaar zingen en bidden zijn voor mij vaak onwezenlijk. Het is theologisch bedacht en ik wil bidden met woorden die echt zijn in mijn leven. Dit is het terrein wat mij wel het meest bezighoudt en het meest diepe, omdat het voor mij het meest wezenlijke is. Dat heeft er mede toe geleid dat ik mijzelf steeds afvraag waar ìk sta, wat echt de dingen zijn die ik niet mag prijsgeven omdat ze existentieel bij mij horen.”

Een eigen gesprek met Jezus
Frater Doodkorte legt uit dat de verdieping in zijn geloof die hij continue doormaakt, hem er onder andere toe brengt om eeuwenoude teksten in eigen woorden weer te geven. “Ik heb bijvoorbeeld een eigen gesprek met Jezus op papier gezet. Die tekst heb ik bij elke Eucharistieviering bij me. Ik kan dan bidden met woorden die wezenlijk van mij zijn. En op die manier heb ik veel dagelijkse gebeden in mijn eigen woorden geschreven.”

Een ‘Weesgegroet’ tot slot
Bidden met woorden die van ons zijn ….. We zouden er nog een uur langer over kunnen en willen praten maar ook aan dit gesprek komt een einde. Een bijzonder einde, want frater Ben bidt voor ons als afscheid het Weesgegroet Maria met de woorden die hij zelf schreef:

Dag Maria,
vrucht van genade
Goede, God h
ad jou in gedachten,
riep jou tot leven,
tot mens,
tot vrouw, tot moeder.
Goede, God
gaf jou Jezus,
vrucht van je geloof,
vrucht van je overgave,
vrucht van je beschikbaarheid,
vrucht van je schoot.
Gelouterd
ben je als moeder,
juist als moeder van Jezus.
Vergezel ons, zoekers,
dat ook wij in loutering leven in Zijn spoor,
jouw spoor.

Petra de Landmeter

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s