De Overkant

hier loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
langs velden groen gewas
naar de rivier
springen wij van steen tot steen
en als ik ooit onschuldig was
dan was ik het nu hier

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

met eigen ogen, roodomrand,
zie ik hier het kind
dat eens mijn vader was
de vreemdeling en bloedverwant
die ik tenslotte vind
over de waterplas
hij drukte in dit vreemde land
zijn voeten in het stof
toen al op weg naar mij
en zo, voorgoed zijn hart verpand
aan bloemen in een hof
ging hij ze toch voorbij

hij ging op weg naar het verre land
zij zwaaide hem vaarwel
maar omzien deed hij niet
veroordeeld tot de overkant
zij had een zwak gestel
en kwijnde van verdriet
en in den vreemde woedde brand
hij stond er middenin
en werd een oorlogsheld
maar minachting en misverstand
hebben hem, nadien,
tenslotte ook geveld

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

nu loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
dit dierbaarste bezit
hier onder zon en maan
de onschuld laten wij, alleen,
een klein figuur in wit
daar aan de oever staan

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

havenplaat_klein

Toen ik in 1984 voor het eerst een reis maakte naar Indonesië, het geboorteland van mijn vader, hoopte ik er het paradijs te vinden.

In dat opzicht echter was de reis ontnuchterend. Ten eerste was er de onverdraaglijke hitte. Ten tweede was ik bang om, zo niet bestolen, dan toch afgezet te worden en bovendien bleek men van privacy, iets waar ik juist na mijn Doe Maar avontuur behoefte aan had, nog nooit gehoord te hebben.

Voortdurend achtervolgd door hordes roepende kruiers, kooplieden en kinderen, trokken mijn vriendin en ik door Java.

In Jakarta schreef ik: ‘De Jalan Cikini is lang, heet en stoffig. Verkeer raast langs. Het zweet loopt in straaltjes langs mijn voorhoofd.’ Niks geen paradijs.

Toch was het daar, in de straat waar hij opgroeide, dat ik voor het eerst weer een glimp opving van mijn vader, die al twintig jaar dood was en ik was, opnieuw, geschokt.

Ik schreef: ‘Hoe is het mogelijk, pappa, dat je hier gelopen hebt, hier langs de Cikinilaan, arm in arm met Titi en dat je toen alleen, helemaal alleen, naar Holland bent gegaan, terwijl je daar niemand kende. En je liet Titi achter, want eens zou je terugkomen. Maar ze stierf. Van verdriet, zei de familie. En nu loop ik hier met mijn Anna en er is niemand die ik ken. Ik kom als een vreemde in een vreemd land, vijftig jaar nadat jij het verliet. Ik loop als een vreemde door een vreemde straat, waar jij, jarenlang, elke dag je bruine voeten in het stof gedrukt hebt.’

Ik heb een lied geschreven. Het gaat over de reis naar de overkant. En wat wij achterlaten op de oever.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s