Barak 23

In 1951 werden 3000 Molukkers, oud-millitairen en hun gezinnen ondergebracht in de barakken van het voormalig concentratiekamp Vught. Het zou slechts voor tijdelijk zijn, maar voor velen werd het een definitief onderkomen. Jimi Bellmartin groeide op in Woonoord Lunetten, zoals het kamp in die tijd genoemd werd. In dit nummer, dat hij samen met Ernst Jansz maakte, zingt hij over zijn jeugdherinneringen in barak 23.

Barak 23 staat op de CD Wie, uitgebracht door Nationaal Monument Kamp Vught. De CD maakt deel uit van het project Zichtbare herinneringen…een confrontatie met terreur.

Advertenties

Huiswaarts

  • Tomorrow’s such a long time, Bob Dylan, vertaald door Ernst Jansz

als vandaag niet een eindeloze weg was
en vannacht een zee van maneschijn
als morgen niet eindeloos ver weg was
zou de eenzaamheid wellicht te dragen zijn

en alleen maar als mijn lief op mij zou wachten
en ik weer zacht haar hart kon horen slaan
zoals zij naast mij neerlag in de nachten
alleen dan zou ik huiswaarts gaan

een vreemd gezicht weerspiegelt in het water
waar een vreemde stem geen woord spreekt van verdriet herken ik evenmin de echo van mijn voetstap
en herinner mij de klank van mijn naam niet

en alleen maar als mijn lief op mij zou wachten
en ik weer zacht haar hart kon horen slaan
zoals zij naast mij neerlag in de nachten
alleen dan zou ik huiswaarts gaan

er is schoonheid in het zilverstromend water
in de gouden stralen van de morgenstond
maar niets ter wereld heeft mij ooit meer bewogen
dan de schoonheid die ik in haar ogen vond

en alleen maar als mijn lief op mij zou wachten
en ik weer zacht haar hart kon horen slaan
zoals zij naast mij neerlag in de nachten
alleen dan zou ik huiswaarts gaan

ja alleen maar als zij daar op mij zou wachten
en ik weer zacht haar hart kon horen slaan
zoals zij naast mij neerlag in de nachten
alleen dan zou ik weer huiswaarts gaan

De Overkant

hier loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
langs velden groen gewas
naar de rivier
springen wij van steen tot steen
en als ik ooit onschuldig was
dan was ik het nu hier

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

met eigen ogen, roodomrand,
zie ik hier het kind
dat eens mijn vader was
de vreemdeling en bloedverwant
die ik tenslotte vind
over de waterplas
hij drukte in dit vreemde land
zijn voeten in het stof
toen al op weg naar mij
en zo, voorgoed zijn hart verpand
aan bloemen in een hof
ging hij ze toch voorbij

hij ging op weg naar het verre land
zij zwaaide hem vaarwel
maar omzien deed hij niet
veroordeeld tot de overkant
zij had een zwak gestel
en kwijnde van verdriet
en in den vreemde woedde brand
hij stond er middenin
en werd een oorlogsheld
maar minachting en misverstand
hebben hem, nadien,
tenslotte ook geveld

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

nu loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
dit dierbaarste bezit
hier onder zon en maan
de onschuld laten wij, alleen,
een klein figuur in wit
daar aan de oever staan

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

havenplaat_klein

Toen ik in 1984 voor het eerst een reis maakte naar Indonesië, het geboorteland van mijn vader, hoopte ik er het paradijs te vinden.

In dat opzicht echter was de reis ontnuchterend. Ten eerste was er de onverdraaglijke hitte. Ten tweede was ik bang om, zo niet bestolen, dan toch afgezet te worden en bovendien bleek men van privacy, iets waar ik juist na mijn Doe Maar avontuur behoefte aan had, nog nooit gehoord te hebben.

Voortdurend achtervolgd door hordes roepende kruiers, kooplieden en kinderen, trokken mijn vriendin en ik door Java.

In Jakarta schreef ik: ‘De Jalan Cikini is lang, heet en stoffig. Verkeer raast langs. Het zweet loopt in straaltjes langs mijn voorhoofd.’ Niks geen paradijs.

Toch was het daar, in de straat waar hij opgroeide, dat ik voor het eerst weer een glimp opving van mijn vader, die al twintig jaar dood was en ik was, opnieuw, geschokt.

Ik schreef: ‘Hoe is het mogelijk, pappa, dat je hier gelopen hebt, hier langs de Cikinilaan, arm in arm met Titi en dat je toen alleen, helemaal alleen, naar Holland bent gegaan, terwijl je daar niemand kende. En je liet Titi achter, want eens zou je terugkomen. Maar ze stierf. Van verdriet, zei de familie. En nu loop ik hier met mijn Anna en er is niemand die ik ken. Ik kom als een vreemde in een vreemd land, vijftig jaar nadat jij het verliet. Ik loop als een vreemde door een vreemde straat, waar jij, jarenlang, elke dag je bruine voeten in het stof gedrukt hebt.’

Ik heb een lied geschreven. Het gaat over de reis naar de overkant. En wat wij achterlaten op de oever.

Luna Luna mijn

Luna Luna mijn

het leven is een bootje
je vaart ermee naar zee
Luna Luna Luna mijn

het is een lange weg
maar de stroom die neemt je mee
Luna Luna Luna mijn

er zullen stormen zijn
tegenslag en pijn
en angst voor wat er komen zal
maar er zullen altijd weer ontelbaar mooie dingen zijn
Luna Luna Luna mijn

eenmaal op zee
zal ik altijd naast je zijn
Luna Luna Luna mijn

ik zal er zijn
in de zilveren maneschijn
Luna Luna Luna mijn

er kunnen stormen zijn
tegenslag en pijn
en angst voor wat er komen zal
maar er zullen altijd weer ontelbaar mooie dingen zijn
Luna Luna Luna mijn
Luna Luna Luna mijn

Zolang

Zolang

zolang het water naar de zee stroomt
zolang de zon nog schijnt
zolang de morgen na de nacht komt liefste
zou ik bij je willen zijn

en al zal de stroom bevriezen
en al komt de morgen grauw
dit is wat ik mij herinner liefste
dit ogenblik bij jou

er zijn dingen die ik niet kan zeggen
er wordt al te veel gepraat
we hoeven elkaar toch niets uit te leggen
ik ben blij dat je bestaat

zolang het water naar de zee stroomt
zolang de zon nog schijnt
zolang de morgen na de nacht komt liefste
zou ik bij je willen zijn

er zijn dingen die ik niet kan zeggen
woorden zijn een groot verraad
en wat valt er nu nog uit te leggen
roze kleurt de dageraad

zolang het water naar de zee stroomt
zolang de zon nog schijnt
zolang de morgen na de nacht komt liefste
zou ik bij je willen zijn

Ik schreef de eerste versie van dit lied al in 1979 voor Pita Zegstroo. Volgens Doe Maar technicus Peter Vincent is het in 1980 opgenomen voor de LP Skunk, maar later weer afgevoerd omdat de stijl niet meer paste bij het ska en reggae-concept van het album. Toch was een belangrijke inspiratiebron het oorspronkelijke reggaenummer ‘Many Rivers to cross’ van Jimmy Cliff.

Er bestaan diverse andere uitvoeringen van ‘Zolang’: Eén op de LP ‘De Orde’ uit 1982, waarop Bram Vermeulen de prachtige orgelpartij speelt en gebast wordt door Jan de Hont. Een andere op de CD (en Video) ‘Het Afscheidsconcert’ van Doe Maar uit 1984, uitgebracht in 1995, met Piet Dekker op bas, Carel Copier op drums en natuurlijk weer Jan Hendriks op gitaar (de oorspronkelijke Doe Maar bezetting dus).

De tekst is voor ‘De Overkant’ uitgebreid met het tweede koeplet: …’en al zal de stroom bevriezen’… Dat geldt ook voor ‘woorden zijn een groot verraad’, dat anticipeert op ‘Een eerste Klein Verraad’ en het zinnetje ‘roze kleurt de dageraad’ (in plaats van het 2e ‘ik ben blij dat je bestaat’), dat vanwege het Morgen/Avond-concept van ‘De Overkant’ werd toegevoegd maar later weer is verdwenen.

Als een vrouw

Als een vrouw
Tekst Bob Dylan, Vertaling Ernst Jansz

niemand voelt zich bezwaard
als ik vannacht hier in de regen staar
iedereen weet dat vandaag
Lieveling nieuwe kleren draagt
en ik weet nu hoe het is als een jurk vertraagd
van haar schouders glijdt

ze verleidt als een vrouw
en ze vrijt als een vrouw o jawel
en ze verwijt als een vrouw
maar als een meisje breekt zij

Queen Mary is mijn vriendin
en dit was wellicht pas het begin
maar iedereen voelt aan
het kan pas Lieveling goed gaan
als zij van haar sluier pillen en parels is ontdaan
en dan is het gewoon een mooie meid

ze verleidt als een vrouw
en ze vrijt als een vrouw o jawel
en ze verwijt als een vrouw
maar als een meisje breekt zij

het regende al te lang
en het was ja van verlangen
dat ik hier ooit kwam
nu loop ik angstig door jouw gangen
zoek ik in het gedrang
de nooduitgang
ben ik bang
en al lang dat

dit niet mijn leven is
en dat ons niet meer dan dit gegeven is
en als ik ooit, veronderstel,
aan jou als vriend word voorgesteld
dan heb ik liever niet dat je vertelt
van mijn honger in jouw koninkrijk

ah je misleidt als een vrouw jawel
en je vrijt als een vrouw o jawel
en je verwijt als een vrouw
maar als een meisje breek jij